Ornamentale Patronen | Trijpweefsels van de Amsterdamse School

Nog te zien tot en met 4 maart 2018 
TextielMuseum

Fluweelzachte kleden op tafel, achter de kapstok, op de schoorsteen of de sofa: tegenwoordig vind je ze niet meer in het interieur. In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw was dat heel anders. De zogenoemde trijpkleden, ook wel bekend als velours d’Utrecht, werden veel toegepast in interieurs van de Amsterdamse School. Naar verluidt zou de stof in de 17de eeuw als eerste in Utrecht zijn geweven. De tentoonstelling ‘Ornamentale Patronen’ laat een breed beeld zien van de grote verscheidenheid aan Amsterdamse School trijpkleden, gordijnstoffen, wandbespanningen en meubelbekleding uit de collectie van het TextielMuseum. De schijnwerper wordt vooral gericht op de vele samenwerkingen met kunstenaars uit de periode van ca. 1917 tot 1935. Daarnaast komt de geschiedenis van de trijpweverijen Schellens & Marto, Léo Schellens en de Hengelosche Trijpweverij aan bod en worden er verschillende decoratietechnieken belicht. Zo is er een unieke trijpwals met een dessin van Theo Nieuwenhuis, een houten drukblok met een ontwerp van Chris Lebeau en een rijke selectie aan patroontekeningen te zien.

Trijp, een in onbruik geraakt woord, is een poolweefsel – zoals ook pluche en fluweel – waarvan de opstaande haren uit mohair (van de angorageit) bestaan. Hoewel de geschiedenis van het weven van deze stoffen ver terug gaat, werden trijpkleden eind 19deeeuw aanvankelijk vooral gemaakt door de Eindhovense fabriek Schellens & Marto. Deze weverij blies in 1887 nieuw leven in het vrijwel verloren gegane ambacht van het trijp weven. Andere weverijen, zoals de Hengelosche Trijpweverij en Léo Schellens, ook in Eindhoven, volgden. Het enigszins ouderwetse imago van de stof werd opgefrist met moderne dessins in de stijl van de art nouveau en de Amsterdamse School, ontworpen door Nederlandse sierkunstenaars als Theo Nieuwenhuis, Chris Lebeau, Carel (C.A.) Lion Cachet en Jaap Gidding.

www.textielmuseum.nl